menu

De Noorse mythologie

Vierde klas 9/10 jaar  

De Noorse mythologie is de vertelstof van de vierde klas. In de Edda wordt de eindstrijd tussen de goden en reuzenwereld beschreven. Al het oude wordt vernietigd. De volkomen wereld van de goden bestaat niet meer, maar daarmee komt er ruimte voor de ontwikkeling van de mens. De vierdeklasser krijgt het besef dat hij niet alleen een deel van het geheel uitmaakt maar dat hij ook als individu zijn weg moet zoeken.

Over de Edda (voor de leerkracht)

De Edda is een heel oud Noors geschrift, bestaande uit verschillende, soms zeer onsamenhangende gedichten, waar niettemin de verhevenste en diepste schoonheden in verborgen zijn. Men weet niet, wie de Edda geschreven heeft, waarschijnlijk danken deze liederen hun oorsprong aan meerdere zangers. Er is een oudere en een jongere Edda, en vervolgens nog een reeks van verhalen en liederen, die men de Skalden pleegt te noemen.

Leesfragment uit: "Uit het grijs verleden". A Sixma van Heemstra-Schimmelpenninck. Zutphen 1924

De schepping

In den beginne was er duisternis vol ontzetting, een diepe, peilloze afgrond, zwart en zwijgend. En niemand, geen ziel, om zich over dit niet te ontzetten, geen ziel om te verlangen, dat het zich zou vullen met lieflijkheid, geen ziel, om de leegte te peilen, en het niet tot iets te maken. Ginungagap heette die ledige afgrond, aan de eene zijde begrensd door Niflheim, het land van nevel, sneeuw en ijs en aan de andere zijde door Muspelheim, de vlammenwereld, waarvan de rossige gloed aanzwel, tot- dat zij iets van den afgrond begon te verlichten, de peillooze diepte nog ontzettender makend.

Gelukkig, dat er geen mens was, om zich over die diepte heen te buigen, waar de gloed van de vuurzee schichtige stralen wierp in de zwarte leegte, want geen mensch zou het overleefd hebben, dat te aanschouwen.

In Niflheim ontstond een bron, de Ruisende Ketel genaamd. Uit die bron stortten zich 12 wilde stromen, die de leegte van Ginungagap vulden. In de koude van het ledige niet stolden zij zich onmiddellijk tot ijs, zoodat nu een gekraak en gesteun de diepte vulde,zoals mensenoren nimmer gehoord hebben, en zoals slechts eeuwen later, bij de ondergang der goden, weder door het heelal zou klinken. Geluiden rolden en bruisten nu tenminste door de ruimte, en al waren het geluiden vol ontzetting, toch was het niet zo vreeselijk als de stilte van voorheen.

Als nu de vonkenregen uit Muspelhelm opsteeg, viel hij sissend op de ijsblokken, en deed ze langzamerhand smelten. Gestadig druppelde het ijs, en deed de omgeving steeds verder ontdooien. Hoe heller de gloed uit de vlammenzee laaide, boe meer de knisterende vonkenregens neerkwamen op de ijsblokken, hoe meer druppels zacht ritselend neervielen.

Eindelijk namen de druppels menschelijke gestalte aan, en de reus Ymir richtte zich op uit den bevroren afgrond. Daarna verscheen de gedaante van een koe, Audumbla genaamd. Geduldig stond zij te midden van sneeuw en ijs, uit haar uiers vloeiden vier melkstromen, die de aarde vruchtbaar moesten maken en met haar ruwe tong likte zij gedurig het ijs, totdat langzamerhand haar te voorschijn kwam, toen een mensenhoofd en eindelijk een mannengestalte. Dat was de reus Buri, de vader der Goden.

Waar eens het wonder begint, dáár eindigt het nimmer, en zóó werd de aarde vruchtbaar door het zoete vloeien der melkstroomen en door de warmte, die de vonken van Muspelheim verspreidden. En toen werden ook de goden geboren, die het wondere heelal moesten besturen en volmaken. De reus Burip reeds, was schoon en heerlijk van gestalte en lieflijk van aangezicht, het eerste redelijke wezen, dat in het heelal ademde.

De goden

In groep 6 worden de kinderen de wereld van Germaanse mythologie binnengevoerd. In de Noors/Germaanse mythologie leveren de goden een voortdurende strijd tegen de reuzen. De kinderen genieten van de verhalen van Thor met zijn hamer, de god van de donder. De kinderen leven mee met de angst van de goden voor de naderende ondergang. Door deze vertelstof voelt de vierdeklasser zich begrepen.

Werelden gingen aan de wereld vooraf. De zieneres weet te verhalen van negen reuzen uit de oertijd die haar lang geleden hadden grootgebracht.

De wereld, die uit Ymir ontstond, werd door een machtige boom gedragen - de es Ygdrasil. Zijn takken spreidden zich in alle windrichtingen ver over de zichtbare hemel uit.

Drie wortels heeft Ygdrasil. De eerste reikt tot aan Hvergelmir, de bron midden in Niflheim. Om deze wortel kronkelt zich een woest kruipend ongedierte, Nidhog, wiens tanden onophoudelijk aan het leven van de boom knagen.

Een tweede wortel reikt neerwaarts tot aan de bron van Mimir, de oeroude wijze, die zich alles herinnert wat ooit in de wereld geschiedde. Op de bodem van deze bron ligt een van Odins ogen, dat hij eens als zijn grootste offer had afgestaan.

De derde wortel reikt opwaarts tot aan de bron van de Nornen, die over ieders lot beschikken: Urd, Werdandi en Skuld - Verleden, Heden en Toekomst. Deze wortel heeft het goed. Want dag in dag uit putten de Nornen melkwit water uit hun heilige bron en gieten dit uit over de wortel.

Ook zwemt er een paar zwanen op het water.

Een es weet ik staan
Ygdrasil heet hij
hoog en met helder
heilvocht begoten
vandaar komt de dauw
in de dalen vallen;
aan de bron van Urd
staat hij eeuwig groen.

De dauw die van Ygdrasil neervalt brengt ieder wezen dat ontstaat het levenswater, dat de drager is van de levenskracht. Zo ook aan de mensen. Daarom hebben alle geslachten veel aan de boom te danken; slechts weinigen echter bedenken dit.

Het lijden van de es kan niemand bevroeden. Vier herten weiden in zijn takken en vreten voortdurend het jonge loof van de levensboom af. Van hun gewei stroomt een regenvloed naar beneden naar de bron Hvergelmir. Dit is de oorzaak, waarom Hvergelmir nooit uitdroogt.

Oud wordt de schors, vermolmd het hout. Hoog in de kruin nestelt een adelaar. Die laat zijn blik tot op verre afstand spiedend over de wereld gaan en weet zeer veel. Tussen zijn ogen zit een kleine havik. Een eekhoorntje loopt langs de stam op en neer en brengt met zijn praatjes vijandschap teweeg tussen de adelaar en het serpent.

Diep verborgen in Ygdrasil, de boom van de zon, rusten de kiemen van de toekomst. Want eens werd de vraag gesteld, wie de wereldondergang zou overleven. 'Lif en Lifthrasir, 'Leven en Levensdrang' zijn', zo luidde het antwoord, 'de namen van een mensenpaar, dat in Hodmimirs hout wacht. Tot voedsel dient hun de morgendauw van de boom.'

Nog zijn Lif en Lifthrasir ongeboren kinderen gelijk. Maar hun is voorbehouden, eens het begin van een nieuw geslacht te worden.

'Hodmimirs hout' is een geheime benaming voor Ygdrasil.

Bron van deze versie: Godenverhalen uit de Edda Nederlandse rechten: Uitgeverij Christofoor, Zeist 1981 ISBN 90 6238 097 2

© Helend opvoeden  2025

naar boven